Problemen bij het inburgeringsexamen buitenland?
Er is geen mogelijkheid om het Inburgeringsexamen in het eigen land te doen?
Als je voor drie maanden naar Nederland kunt komen, kun je misschien hier het Inburgeringsexamen Binnenland doen. Als je hiervoor slaagt, hoef je het examen in het buitenland niet meer te doen.
Voorwaarden om het examen Binnenland te doen:
- Je moet het bijtijds aanvragen ( kijk bij www.ind.nl )
- Je moet in je eigen land al beginnen met de studie; je kunt hiervoor het beste de driedelige serie Op weg gebruiken. Kijk bij www.nt2.nl
- In de tijd dat je in Nederland bent, moet je een portfolio maken.
Hoe dat moet en hoe het examen eruit ziet, lees je hieronder.
Het Inburgeringsexamen.
Het Inburgeringsexamen verschilt nogal van een 'gewoon' examen zoals het Staatsexamen.
De cursist moet kiezen uit vier zogenoemde profielen. Deze profielen zijn weer onderverdeeld in domeinen.
De vier profielen zijn:
- Maatschappelijke Participatie: domeinen Burgerschap, Maatschappelijke Participatie en Op zoek naar vrijwilligerswerk.
- OGO (Onderwijs, Gezondheid en Opvoeding): domeinen Burgerschap, OGO en Werk zoeken.
- Werk: domeinen Burgerschap, Werk zoeken, Werk hebben (keuze uit handel en dienstverlening, zorg en welzijn of techniek.)
- Ondernemerschap: domeinen Burgerschap, Ondernemerschap, Werk zoeken.
Voor elk domein is een aantal Cruciale Praktijksituaties beschreven (CP’s). Voor deze praktijksituaties zijn weer Cruciale Handelingen nodig. (CH's)
Om te kunnen slagen voor dit deel van het examen moet de cursist 30 portfoliobewijzen hebben. Er kan ook worden volstaan met 15 bewijzen en 3 assessments (rollenspelen). Ook is het mogelijk om alleen assessments te doen; dan zijn het er 6.
Portfoliobewijzen
Cursisten moeten een portfolio (map) aanleggen met daarin bewijzen van gesprekken die zij gevoerd hebben (of schrijfproducten) bij vooraf bepaalde instanties en personen. Deze lijst is in samenwerking met allerlei maatschappelijke instanties en deskundigen vastgesteld. De situaties waarin deze gesprekken gevoerd zijn, worden aangeduid met de term Cruciale Praktijksituaties (CP’s), zoals een bezoek aan een arts, het gemeentehuis of het politiebureau. Ook het lid worden van een sportclub of een telefoongesprek voeren met de Kamer van Koophandel behoren tot de CP’s. Hiervoor zijn Cruciale Handelingen nodig. Voor de verschillende profielen zijn ook verschillende CP’s op schrift gesteld.
Voor alle genoemde domeinen is een aantal praktijksituaties beschreven. Het domein Burgerschap komt in alle profielen voor. Van deze voorbeelden mag niet afgeweken worden. Een gesprek met een winkelassistent is bijvoorbeeld niet geldig, want dat behoort niet tot de aangegeven CP’s.
Deze situaties moeten alle inburgeraars dus beheersen. Voor u een leidraad bij uw contacten. De onderwerpen Burgerschap, OGO en Werk zoeken komen in het boek Onderweg aan de orde.
De inburgeraar die een situatie beheerst, moet een bewijsformulier daarvan hebben om in het portfolio te doen. Op dat bewijsformulier kan de dokter of de tandarts zijn handtekening zetten als het gesprek goed verlopen is, maar het kan ook bestaan uit een schrijfproduct van de inburgeraar zelf, bijvoorbeeld een formulier dat hij/zij heeft ingevuld. Het portfolio wordt gecontroleerd door een gecertificeerde examinator die ook een bewijsgesprek met de kandidaat houdt. Daarbij toetst hij de spreekvaardigheid van de kandidaat en onderzoekt hij of de bewijzen op rechtmatige wijze verkregen zijn.
Er is geen vaste verdeling van spreek- en schrijfvaardigheid.
Bewijsformulieren worden door de inburgeraar zelf ingevuld. Er zijn Bewijsformulieren voor Gesprekken en formulieren voor Schrijven. Ook is er een onderdeel bij voor de gesprekspartner met de vraag of deze het Bewijsformulier eventueel wil aanvullen. Al deze formulieren kunnen via www.vrom.nl uitgedraaid worden (dossier Inburgeren Wetten en Regels).
Als een kandidaat voor de portfolioroute kiest, moeten er 30 portfoliobewijzen worden overlegd. Een cursist die geen 30 bewijzen kan verzamelen (dat lukt de meesten niet), kan kiezen voor 15 bewijzen en 3 assessments. Als iemand helemaal geen portfolio heeft aangelegd, kunnen er ook 6 praktijktoetsen (assessments) worden gedaan.
Wat is een assessment?
Een assessment is een rollenspel waarbij de kandidaat de opdracht krijgt om een gesprek te voeren, een stukje te lezen en een eenvoudige schrijfopdracht uit te voeren.
De assessments worden door een bevoegde assessor van buiten de instelling afgenomen. Hij of zij voert een kort rollenspel uit met de kandidaat.
Er is een databank met rollenspelen die via een cd-rom met de computer willekeurig gekozen worden. De examinator en de kandidaat krijgen beiden voldoende tijd om zich voor te bereiden met een beschrijving van de situatie, waarna het rollenspel plaatsvindt onder toezicht van een tweede assessor. Bij zo’n rollenspel hoort ook een korte schrijfopdracht, zoals het schrijven van naam en adres, een boodschappenbriefje of een korte mededeling voor een collega.
De rollenspelen hebben betrekking op de lijst met de praktijksituaties. Op deze lijst komt bijvoorbeeld de situatie voor dat de cursist over een inbraak komt vertellen op het politiebureau. De assessor is dan de agent (en zet eventueel een politiepet op voor de duidelijkheid); de cursist moet zijn verhaal vertellen en antwoord geven op de vragen die de agent stelt. Ook moet meestal iets geschreven worden. De protocollen zijn allemaal beschreven en liggen vast, dat wil zeggen dat de ‘agent’ van te voren zijn rol bestudeert en de vragen stelt die in het protocol staan.
Centraal examen
Als het portfolio van de kandidaat is goedgekeurd en hij geslaagd is voor de assessments, kan hij het tweede deel van het examen aanvragen: het centrale examen.
[Daar moet ook voor betaald worden. Het praktijkexamen met een compleet portfolio kost € 104. Voor het centrale deel moet de kandidaat voor Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) €37 betalen; voor de Toets Gesproken Nederlands €52 en voor het Elektronisch Praktijkexamen € 37 (januari 2009).]
Het centraal examen wordt afgenomen op 10 examenplaatsen die door het ministerie zijn aangewezen. Het examen vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de Informatie Beheer Groep (IBG) . Dit instituut zorgt ook voor de afname.
Het centraal examen bestaat uit drie onderdelen:
- toets Kennis van de Nederlandse samenleving (KNS)
- digitale Praktijktoets
- Toets Gesproken Nederlands (TGN)
De eisen die aan deze drie onderdelen gesteld worden zal ik apart bespreken.
Het eerste onderdeel KNS is een multimediale beeldschermtoets op de computer: hij bevat beeld en geluid. Alle instructies worden ook mondeling aangeboden. De tekst wordt dus voorgelezen.
Alle examenopgaven zijn gekoppeld aan een casus. Dit is een inleidende context. Bij elke casus horen meerdere opgaven. De kandidaat moet zich dus inleven in een bepaalde situatie, waarbij hij moet aangeven wat de beste handeling in die bepaalde situatie is. Daarbij kan hij kiezen uit drie mogelijkheden.
Een voorbeeld:
Aba en Nouri hebben een dochter van twaalf jaar.
Ze is klaar met de basisschool.
Nouri wil dat haar dochter nu thuisblijft om haar te helpen.
Mag dat in Nederland?
a. ja, dat mag
b. nee, dat mag niet
c. dat mag als Nouri veel kinderen heeft
[Dit voorbeeld en nog 65 andere opdrachten kunt u vinden in het boek Wegwijzer, uitg. Boom 2009]
Het tweede onderdeel, de digitale Praktijktoets is een computertoets waarin lezen, luisteren en schrijven zijn geïntegreerd (dus geen spreken!). Op het beeldscherm krijgen kandidaten een aantal meerkeuzevragen voorgelegd uit de lijst met CP’s. De kandidaat moet verschillende taalhandelingen uitvoeren zoals het lezen van een korte tekst; het aanvullen van woorden en zinnen uit een brief of het volgen van een kort gesprek waarbij hij de beste reactie moet kiezen uit een set van drie; alles met de computer. Hij hoeft hierbij dus niet zelf te spreken.
De Toets Gesproken Nederlands (TGN). Dit is het derde onderdeel waarin de spreek- en luistervaardigheid getoetst wordt door middel van een telefoontoets. Het is dezelfde toets die buitenlanders die naar Nederland willen komen, vooraf in hun eigen land moeten afleggen. In deze toets staat de spreek- en luistervaardigheid van de kandidaat centraal. De toets wordt telefonisch afgenomen. Hij duurt ongeveer 12 minuten.
Er zijn vijf onderdelen:
• nazeggen van 12 zinnen
• vragen beantwoorden waarbij maar één kort antwoord mogelijk is
• nogmaals nazeggen van 12 zinnen
• tegenstellingen benoemen; de kandidaat hoort ‘klein’ en zegt ‘groot’
• navertellen van een kort verhaaltje
Het laatste onderdeel (navertellen) telt niet mee voor de beoordeling, maar is alleen bedoeld voor de validering van de toets.
Het lijkt allemaal nogal ingewikkeld, maar in de lesboeken Op weg, Onderweg en Wegwijzer is al de benodigde kennis om het examen te kunnen doen, bijeengebracht. Het eerste boek van deze serie met de titel Op weg is een beginnersboek met eenvoudige woorden en zinnetjes. Het is bedoeld voor mensen die het Inburgeringsexamen Buitenland gaan doen, maar het wordt eveneens gebruikt voor de bovengenoemde telefoontoets. Dit is namelijk dezelfde als de toets die in het buitenland gebruikt wordt. De cesuur (het aantal punten waarbij iemand geslaagd is) is bij het Inburgeringsexamen Binnenland hoger.
